Vrede van Utrecht

Inhoudsopgave
Rivalz Allegory

  1. De Habsburgers
  2. Het Spaanse probleem
  3. Europa in de zeventiende eeuw
  4. Aanspraken op de Spaanse erfenis
  5. De Verdelingsverdragen
  6. Uitbreken van de Spaanse Successie-oorlog
  7. De Spaanse Successie-oorlog
  8. Beginnende onderhandelingen
  9. De Vrede van Utrecht
  10. Conclusie
  11. Bronnenlijst

Introductie

De Vrede van Utrecht van 1713 beëindigde een van de grootste oorlogen van de zeventiende eeuw. De Spaanse Successie-oorlog (1702-1713) was een grote, kostbare, wereldwijd gevoerde oorlog. Tegenover elkaar stonden een coalitie van Engeland, de Republiek der Verenigde Nederlanden en de keizer van het Heilige Roomse Rijk; en een machtsblok van Frankrijk en Spanje onder leiding van koning Lodewijk XIV en diens kleinzoon, de kersverse koning van Spanje.

Met de Vrede van Utrecht tekende zich een nieuw systeem van internationale betrekkingen af. De basis hiervan was het concept van machtsevenwicht tussen Europese mogendheden, wat moest voorkomen dat een staat overwicht zou krijgen over alle andere. Gedurende de achttiende eeuw zouden voortdurend wisselende coalities van de ‘pentarchie’ (Frankrijk, Engeland, Oostenrijk, Pruisen en Rusland) de internationale betrekkingen bepalen. Na de Napoleontische Tijd werd in 1815 het ‘congres-systeem’ ingevoerd, waarin de vijf grootmachten over belangrijke kwesties conferenties hielden om een vreedzame oplossing voor geschillen te vinden. Zelfs de machtsbalans tussen de Verenigde Staten en de Sovjet Unie in de Koude Oorlog kan nog in het licht worden gezien van de theorie die in 1713 voor het eerst zijn entree maakte in de internationale politiek.

Het vredescongres van Utrecht in 1713 is dus van essentieel belang geweest voor de wijze waarop internationale politiek werd bedreven in de daaropvolgende eeuw(en). Toch heeft 1713 maar weinig aandacht gekregen van historici, en is de vrede bij het grote publiek zelfs zo goed als onbekend. Om deze reden wordt ter gelegenheid van het naderende 300-jarig jubileum van de Vrede van Utrecht opnieuw aandacht hieraan gegeven.

Hieronder volgt een korte uiteenzetting van de geschiedenis van de Spaanse Successie-oorlog en de Vrede van Utrecht.

 

Machtsevenwicht

De theorie van machstevenwicht werd rond 1700 voor het eerst grondig uiteengezet door de Engelse auteur d’Avenant. Volgens hem was er een ‘Balance of Power’ tussen verschillende mogendheden. Dankzij dat machtsevenwicht kon voorkomen worden dat een staat Europa zou overheersen. Als een dergelijke hegemonie zou dreigen moesten andere grote mogendheden een coalitie sluiten om zich hier tegen te keren. De theorie was een directe reactie op het gevaar van Frankrijk, dat volgens velen een ‘universele monarchie’ nastreefde. In de late zeventiende en achttiende eeuw was veel buitenlandse politiek en diplomatie gericht op het voorkomen van zo’n hegemonie en daartoe werden verschillende coalitie-oorlogen gevoerd. De term werd in 1713 voor het eerste gebruikt in een internationaal tractaat, namelijk het vredesverdrag tussen Groot-Brittannië en Spanje.

 

De Habsburgers

De Spaanse Successieoorlog werd uitgevochten vanwege een dispuut om de troonsopvolging in Spanje, maar moet ook begrepen worden in de context van de machtsverhoudingen in Europa. Om dat te begrijpen moeten we terug naar het begin van de zestiende eeuw, toen Karel V de basis legde voor een enorm Habsburgs wereldrijk. Karel erfde grote gebieden van zijn voorouders: zowel binnen Europa als daarbuiten. Via zijn vader, Filips de Schone, erfde hij de Bourgondische gebieden, waaronder ook de Nederlanden. Van zijn grootvader erfde hij de zogenaamde Oostenrijkse erflanden. Via zijn moeder Johanna verkreeg hij de beide Spaanse erfenissen, namelijk Castilie en de bijbehorende kolonien in Amerika, en Aragon en diens bezittingen in Italie (Sardinie, Napels en Sicilie). Karels rijk ‘waar de zon nooit onder gaat’ was een losse collectie van verschillende staatjes en gebieden. Hij was niet de vorst van dit geheel, maar de heerser van elk gebied apart. Overal had hij te maken met andere regels, wetten, privileges, tradities en bestuursvormen, wat het bestuur over het Habsburgs imperium compliceerde. Tijdens zijn bewind kwam tevens de Reformatie op, wat voor grote religieuze onenigheid en militair conflict zorgde in zijn rijk. Tot slot bleek het Habsburgs imperium moeilijk te verdedigen vanwege het versnipperde karakter ervan. Met name de Ottomanen en Frankrijk vormden een voortdurende bedreiging. Toen Karel in 1556 aftrad als vorst van al zijn gebieden verdeelde hij deze daarom tussen zijn broer Ferdinand en zijn zoon Filips. Filips werd koning van de rijke Spaanse en Italiaanse landen, de Spaanse koloniën en de Nederlanden. Ferdinand werd keizer van het Heilige Roomse Rijk en kreeg de Oostenrijkse erflanden van de Habsburgs. Respectievelijk werden zij de stamvaders van de ‘Spaanse’ en ‘Oostenrijkse’ tak van de Habsburg-familie. Het doel van de splitsing was onder andere ervoor te zorgen dat de gebieden beter bestuurd konden worden.

Karel II

Karel was de laatste mannelijke telg uit het de Spaanse tak van de familie Habsburg en werd in 1665 koning van het Spaanse Rijk. Zijn moeder, de Oostenrijkse Mariana (Maria Anna), werd regentes. Karel was het resultaat van generaties van incest in de Habsburg familie; al zijn voorouders vanaf de zestiende eeuw waren afstammelingen van Joanna van Castilië en Filips van Bourgondië, de ouders van keizer Karel V. Karel was zowel lichamelijk als geestelijk gehandicapt; hij had een veel te groot hoofd, kaak en tong, was epileptisch en impotent (hij had mogelijk syfilis).

Karel trouwde tweemaal. Eerst met de Franse Marie Louise van Orléans. Het huwelijk bleef kinderloos, de koningin was ongelukkig en bij vlagen depressief. Zij overleed in 1689. Hij trouwde datzelfde jaar met Maria Anna van Neuburg, de jongere zus van de vrouw van keizer Leopold I. Dit huwelijk bleef eveneens kinderloos. Maria Anna had grote invloed op haar echtgenoot en was betrokken bij verschillende hofintriges. Zo maakte ze er zich sterk voor dat Karel haar neef Karel van Oostenrijk als erfgenaam zou noemen in zijn testament. Dit bracht haar in conflict met Karel’s moeder, die de opvolging van haar achterkleinzoon, Jozef Ferdinand van Beieren voorstand.

Jozef Ferdinand werd uiteindelijk per testament tot opvolger benoemd maar overleed voor Karel; nu werd echter niet Karel van Oostenrijk, maar de Franse Filips van Anjou tot erfgenaam benoemd. Dit was een verrassing voor de Europese mogendheden en het resultaat van de inzet van aartsbisschop van Toledo (later: kardinaal) Portocarerro. Karel werd gedurende zijn hele bewind gedomineerd door zijn moeder, zijn echtgenotes en hun favorieten aan het hof.

De Habsburgers vormden vanaf Karel V tot de dood van Karel II van Spanje in 1700 de machtigste dynastie binnen Europa. Vrijwel alle Europese staten en vorsten hadden op de een of

andere manier met hen te maken. De Republiek en veel Duitse staten grensden aan Habsburgs gebied, Frankrijk werd er praktisch door omringd en ook Portugal had slechts één buurman; de Spaanse koning. Italië werd gedomineerd door de Habsburgers en Engeland had op commercieel gebied veel te maken met de Zuidelijke Nederlanden, Spanje en de Spaanse koloniën. Frankrijk ervaarde de ‘omsingeling’ door de Habsburgers als een voortdurende bedreiging. De Oostenrijkse en Spaanse tak van de familie bleven tot het einde van de Spaanse dynastie op goede voet met elkaar staan. Er werden veel huwelijken gearrangeerd tussen de verschillende takken en keizer en koning traden vaak samen op in de Europese politiek.

Het Spaanse probleem

Tegen het einde van de zeventiende eeuw was de macht van de Spaanse Habsburgers danig geslonken. In 1661 werd de laatste mannelijke erfgenaam geboren, Karel II. Op vierjarige leeftijd werd Karel hij het hoofd van de Spaanse tak. Karel bleek vanaf zijn jeugd al verre van gezond te zijn: lichamelijk was hij zwak en leed hij waarschijnlijk aan epilepsie. Naar zou blijken was hij niet in staat erfgenamen te verwekken (mogelijk wegens syfilis). Onder Karel II verzwakte het Spaanse rijk verder: op politiek-militair, economisch en cultureel terrein ging het steeds minder meetellen in Europa. Zijn leidende rol moest worden afgestaan aan Frankrijk. Inefficiënt bestuur, corruptie een zwakke financiële situatie en een verzwakt en slecht uitgerust leger brachten het rijk aan de rand van de afgrond.

Karel had geen erfgenamen en had een precaire gezondheid, waardoor de Spaanse erfenis voortdurend opdook in diplomatieke gesprekken. Complexe dynastieke huwelijken hadden het zeer onduidelijk hadden gemaakt wie daarom de erfgenaam was van de Spaanse vorst. Vanaf zijn troonsbestijging vond daarom een diplomatieke oorlog plaats over wie de erfgenaam van de Spaanse Habsburgs was. Zowel de Franse Bourbon-dynastie als de Oostenrijkse tak van de Habsburgs hadden op meerdere wijzen aanspraken op de erfenis (zie hieronder). In een poging de erfenis zonder oorlogsgeweld te regelen, werd al in 1668 een verdrag gesloten tussen de Franse koning Lodewijk XIV en de Habsburgse keizer Leopold I, om de bezittingen van het Spaanse rijk op te splitsen.

Deze verdeling was ook strategisch van belang; Europa werd gedomineerd door twee mogendheden, de Habsburgers en de Bourbons, die elkaar in evenwicht hielden. In het verleden was de angst groot voor een Habsburgse ‘universele monarchie’, maar vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw werd vooral Frankrijk verdacht van dergelijke aspiraties. Door middel van dit verdelingsverdrag kregen beide partijen een deel van de koek en hoefde niemand te vrezen dat de machtsbalans in Europa ineens zou doorslaan in het voordeel van deze of gene dynastie. Voor Frankrijk was het herstel van het rijk van Karel V onacceptabel. Andersom zouden de Oostenrijkers nooit zomaar hun claim op de Spaanse gebieden opgeven, zeker niet als deze daarmee in handen kwamen van de grote tegenstander van Frankrijk.

Europa in de zeventiende eeuw

De Spaanse erfenis was dus een dynastieke aangelegenheid die grote gevolgen had voor de machtsverhoudingen in Europa. Het ontstaan van de Spaanse Successie-oorlog moet daarom begrepen worden vanuit de Europese machtsconstellatie.

Frankrijk

Tegen het einde van de zeventiende eeuw werd Frankrijk als de machtigste staat gezien. Het land werd geregeerd door de Bourbon-dynastie die in 1589 aan de macht was gekomen. Gedurende de zeventiende eeuw – onder leiding van de kardinalen Richelieu en Mazarin – ontwikkelde Frankrijk zich tot een van de meest gecentraliseerde en sterkste staten van Europa. Niettemin ervoeren de Franse vorsten de ‘omsingeling’ van hun land door Habsburgs gebied als een constante bedreiging, en probeerden zij hun grenzen te versterken. Koning Lodewijk XIV regeerde zelf actief vanaf 1661 en voerde een actieve buitenlandse politiek: hij poogde voortdurend gebieden aan Frankrijk toe te voegen. Frankrijk was onder zijn bewind op politiek, militair, diplomatiek en cultureel terrein het centrum van Europa. In verschillende oorlogen bleek de Franse militaire macht de evenknie te zijn van een coalitie van alle haar omringende machten. Ook haar financiële slagkracht was groot. Wat de Fransen echter beschouwden als een versterking van de staat en de creatie van veilige grenzen werd door de tegenstanders uitgelegd als een aggressieve buitenlandse politiek, bedoeld om een universele monarchie te vestigen. Bovendien was de reputatie van Lodewijk XIV negatief beïnvloed door het herroepen van het Edict van Nantes (1685), wat leidde tot een exodus van Franse protestanten. Het jaagde ook de protestantse mogendheden tegen hem in het harnas en men vreesde dat er opnieuw religieuze oorlogen in Europa zouden plaatsvinden.

Edict van Nantes

Dit Edict werd in 1598 uitgevaardigd en maakte een einde aan de godsdiensttwist die Frankrijk verscheurde. Het bood godsdiensttolerantie aan protestantse Fransen, de Hugenoten. Lodewijk XIV herriep het Edict in 1685. Dit bracht grote onrust in Europa, waar religieuze oorlogen sinds 1648 min of meer tot een einde waren gebracht. Het bracht ook een exodus van (vermogende en getalenteerde) Hugenoten naar haar buurlanden op gang; een aanzienlijke aderlating voor Frankrijk. De herroeping creëerde nieuwe spanningen in Europa: men vreesde een nieuwe religieuze oorlog. Protestantse naties werden vijandiger ten opzichte van Frankrijk.

Engeland

Engeland was de leidende staat op de Britse eilanden. Al in de late Middeleeuwen was Ierland onder bestuur van Engeland gekomen. Vanaf 1603 werden bovendien Engeland en Schotland in een personele unie verbonden onder vorsten uit het huis Stuart, zodat de Britse eilanden bestuurlijk verbonden waren. Toch werden de eilanden geplaagd door conflict. Niet alleen bestond er tussen de drie koninkrijken politieke frictie, de verhoudingen werden ook verscherpt door religieuze verschillen. Ierland was in feite onderworpen door Engeland en was overwegend katholiek; Schotland was formeel gelijkwaardig aan Engeland maar voelde zich achtergesteld, en was vooral presbyteriaans. Engeland was Anglicaans, maar kende religieuze minderheden. Daarnaast was er binnen Engeland een machsstrijd gaande tussen vorst en parlement. Halverwege de zeventiende eeuw leidde absolutistische en centraliserende tendensen van de Stuart-politiek tot conflicten – en uiteindelijk burgeroorlog – tussen de vorst en het parlement, waarin ook Schotland en Ierland werden betrokken. Het parlement won het pleit: de koning werd geëxecuteerd en er kwam een interregnum en militaire dictatuur onder leiding van Oliver Cromwell. Na diens overlijden in 1660 werd de Stuart-monarchie hersteld.

Glorieuze Revolutie

Jacobus II besteeg in 1685 de Engelse troon. Hij was openlijk katholiek, pro-Frans en modelleerde binnenlandse hervormingen op het absolutistische regime van Lodewijk XIV. De geboorte van een erfgenaam en de dreiging van een ‘katholieke opvolging’ deed een uitnodiging uitgaan naar de protestantse echtgenoot van Jacobus dochter Maria om ‘orde op zaken te stellen’. Deze echtgenoot was stadhouder Willem III. Hij trok in november 1688 met een leger naar Engeland. Jacobus kreeg te maken met een binnenlandse opstand en desertie en vluchtte naar Frankrijk. Willem III en zijn echtgenote werden joint monarchs van de Britse koninkrijken.

In 1685 kwam de openlijk katholieke Jacobus II op de troon. Jacobus modelleerde zijn beleid naar het voorbeeld van Lodewijk XIV en probeerde een absolutistisch regime te vestigen. Dit leidde tot nieuwe spanningen in Engeland en uiteindelijk tot de Glorieuze Revolutie van 1688/1689. Jacobus werd verdreven uit het land en opgevolgd door zijn dochter Maria en diens echtegnoot, Willem III van Oranje, stadhouder in de Republiek der Verenigde Provincies. Onder Willem III werd de fundering gelegd voor een constitutionele monarchie en kreeg het parlement een sterke positie tegenover de vorst. Als gevolg van deze veranderingen groeide Engeland uit tot een grootmacht. Ze domineerde de zee en kon door financiele slagkracht grote legers op de been brengen. Onder leiding van Willem III vocht het land twee grote oorlogen tegen Lodewijk XIV. In 1707 werden Engeland en Schotland formeel samengevoegd tot het koninkrijk Groot-Brittannië. Willem III werd opgevolgd door een tweede dochter van Jacobus, Anna. Na haar dood – zo werd bij wet besloten – moest de kroon overgaan op het meest nabije protestantse familielid. Deze ‘Protestantse opvolging’ wilde Engeland koste wat kost internationaal geaccepteerd krijgen.

De Republiek

De Noordelijke Nederlanden waren vanaf 1648 internationaal erkend als een onafhankelijke staat: de Republiek van de Verenigde Provincies. De Zuidelijke Nederlanden waren onderdeel van het Spaanse Rijk. De Republiek was een federale staat die uiteindelijk onder leiding stond van de Staten Generaal, maar waarin de provincies zelf de soevereine macht behielden. Het ambt van stadhouder werd traditioneel vervuld door een afstammeling van prins Willem I van Oranje-Nassau. In Friesland bestond een aparte tak van stadhouders die eveneens verwant was aan deze dynastie. De stadhouders hadden in een aantal provincies een sterke positie en werden benoemd tot aanvoerder van het leger en de vloot. Op die wijze verkregen zij een positie die wel omschreven is als quasi-monarchaal. De stadhouders speelde een belangrijk rol in het bepalen van het buitenlands beleid, evenals de raadpensionarissen. Dat waren ambtenaren in het bestuur van de provincie Holland, de machtigste provincie, die uitgroeiden tot de facto ministers van buitenlandse zaken. Tussen de stadhouders en de raadpensionarissen was er traditioneel rivaliteit, maar vanaf 1672 was de samenwerking tussen stadhouder Willem III en raadpensionarissen Gaspar Fagel (1672-1688) en Anthonie Heinsius (1689-1720) juist harmonieus.

De Republiek was maritiem en economisch een sterke staat, dit was haar Gouden Eeuw. Ook op militair terrein stelde zij in de zeventiende eeuw heel wat voor, vooral omdat de volle staatskas haar in staat stelde om hultroepen in te huren. Omdat echter de Republiek een relatief kleine bevolking had, groeiden de overheidsuitgaven in de oorlogen tegen Lodewijk XIV de pan uit. In de tweede helft van de zeventiende eeuw, vanaf 1648, was de Republiek op het hoogtepunt van haar macht. In 1650 begon de ‘Eerste Stadhouderloze Periode’, de Republiek stond onder de capabele leiding van raadpensionaris Johan de Witt tot 1672. De Republiek voerde twee commerciële oorlogen met Engeland in deze jaren. 1672 was het ‘Rampjaar’ waarin de kleine Republiek op de rand van de afgrond kwam. Zij werd onder de voet gelopen door Franse en Duitse troepen en op zee aangevallen door Engeland. De Witt werd gelyncht en de jonge prins Willem III van Oranje werd stadhouder en kapitein-generaal. De Republiek verloor grote delen van haar grondgebied, die zij in de loop van deze ‘Hollandse Oorlog’ (1672 – 1679) terug won. Vanaf 1672 stond de Republiek feitelijk onder leiding van Willem. Hij was sterk anti-Frans en zijn bewind wordt gekenmerkt door zijn ambitie om de Franse macht in Europa te beperken. Hij was een levenslange tegenstander van Lodewijk XIV, omdat Willem III hem beschouwde als een man die universele monarchie nastreefde. Bovendien was de Republiek weliswaar tolerant ten aanzien van andersgelovigen, maar was de staat protestants: de katholieke politiek van Frankrijk werd als bedreigend ervaren.

Het Spaanse Rijk

Het Spaanse Rijk bestond uit grote gebieden binnen en buiten Europa. De Zuidelijke Nederlanden, Milaan, Sardinië, Sicilië, Napels, de Spaanse koninkrijken Castilië en Aragon, tezamen met uitgestrekte koloniale gebieden in Zuid- en Midden-Amerika, Afrika en Azië waren allen het bezit van het hoofd van de Spaanse Habsburgers. Tot het begin van de zeventiende was het Spaanse Rijk het machtigste van Europa; tegen het einde van de zeventiende eeuw was hij echter al ruim over het hoogtepunt heen en onder koning Karel II zette het echte verval in. Het Rijk werd geplaagd door wanbestuur, corruptie, slechte financiële omstandigheden en een weinig innovatieve, statische hofcultuur.

Illustratief voor het verval moest Spanje zich in 1648 neerleggen bij de zelfstandigheid van de Noordelijke Nederlanden. Portugal werd in 1640 al een zelfstandig koninkrijk nadat het een tijdlang bij Spanje had behoord. Spanje kreeg te maken met serieuze concurrentie in de koloniale gebieden, onder andere van de Republiek en Engeland. Bovendien hadden buitenlandse handelaren feitelijk al veel invloed in de Spaanse handel. Tegen het einde van de zeventiende eeuw publiceerden de arbitristas over de problemen, en dachten zij na over economisch herstel. De onzekerheid over de Spaanse successie hing ondertussen als een doemwolk boven het Rijk. De Spanjaarden wilde koste wat het kost de eenheid bewaren, en verzetten zich fel tegen verdelingsplannen van de andere mogendheden.

Het Heilige Roomse Rijk

Het Heilige Roomse Rijk was nauwelijks een eenheid. Het ‘Rijk’ bestond uit lappendeken van honderden grote en kleine staten en vrije steden en rijksridders die in een federatie onder bestuur van de keizer verbonden waren. De staten waren echter soeverein in hun eigen gebied. Een aantal grotere, belangrijkere staten, waaronder de Palts, Beieren en Hanover, stonden onder leiding van een keurvorst. Negen keurvorsten mochten de nieuwe keizer kiezen, en hadden zo een belangrijke functie, hoewel in de praktijk altijd een Oostenrijkse Habsburger werd gekozen. De meest belangrijke staten – naast ‘Oostenrijk’ – waren onder Beieren en Brandenburg-Pruisen. Pruisen werd in de loop van de zeventiende, maar vooral de achttiende eeuw, een sterke rivaal van Oostenrijk. De Pruisische vorst verwierf aan het begin van de Spaanse Successie-oorlog de koningstitel en verschillende gebieden door het Rijk heen.

De Oostenrijkse Habsburgs bezaten grote gebieden in het zuidoosten van het Heilige Roomse Rijk en wonnen langzaam terrein op de Balkan. Dit laatste ging ten koste van de Ottomaanse Turken; een sterke mogendheid die de Oostenrijkse hoofdstad Wenen verschillende malen wisten te bedreigen. De Habsburgs en de Ottomanen waren gedurende de gehele zeventiende eeuw met elkaar in conflict.

Het hoofd van de Oostenrijkse Habsburgs had als keizer van het Rijk beperkte invloed op andere Duitse staten. Vorsten of hun vertegenwoordigers van het Rijk kwamen bijeen in de Rijksdag voor overleg. Het Rijk trad echter zelden op als een eenheid. De directe invloed van de keizer op ‘binnenlandse’ politiek was vrij klein. In de Vrede van Westfalen werd de soevereiniteit van de staten binnen het Rijk erkend door de Europese mogendheden en de keizer. Wel was er een samenwerking voor wat betreft buitenlandse politiek. Op regionaal gebied vond er militair-defensieve samenwerking plaats in de Rijkskringen. De gebieden rond de Rijn – de Rijnpalts, verschillende steden en Elzas en Lotharingen – waren een voortdurende bron van conflict tussen de staten van het Heilige Roomse Rijk en Frankrijk, en juist hier bleek de meerwaarde van de samenwerking binnen de context van het Rijk. Dat nam niet weg dat sommige staten, rivalen van Oostenrijk, soms liever samenwerkten met de ‘vijand’. Zo sloot Beieren zich in de Spaanse Successie-oorlog juist aan bij Frankrijk. De voortdurende Franse politieke inmenging in het Rijk, met name in het grensgebied bij de Rijn, zorgde voor spanningen, en zou in september 1688 het begin inluiden van de Negenjarige Oorlog.

Italië

Italië was sterk verdeeld, en was sinds de late vijftiende eeuw het slachtoffer van rivaliteit tussen de Habsburgers en de Fransen. Het bestond uit een aantal verschillende staten en staatjes. Grote delen (Milaan, Napels, Sicilie en Sardinie) werden bestuurd door de Spaanse vorst, maar in Midden- en Noord-Italië waren een aantal onafhankelijke staten. De belangrijkste niet-Habsburgse staat was waarschijnlijk Savoye-Piemonte. Savoye was een ‘bufferstaat’ tussen Italië en Frankrijk in. Het wist in de late zeventiende eeuw en het begin van de achttiende te profiteren van de grote oorlogen tussen Frankrijk en andere mogendheden. Savoye werd bij de Vrede van Utrecht gepromoveerd tot het koninkrijk Sicilië, dit eiland werd later geruild voor Sardinië. Andere (belangrijke) staten waren de Pauselijke Staat, Genua, Venetië en Parma. Italië was vrijwel geheel katholiek, maar in Savoye woonde een significant aantal protestanten. Zij werden afwisselend getolereerd en vervolgd.

Boven Savoye – en tussen Oostenrijk en Frankrijk in – lag Zwitserland; een kleine, federale staat met zowel katholieke als protestantse kantons. Veel Franse Hugenoten vluchtten hier heen na de herroeping van het Edict van Nantes en ook veel protestantse inwoners van Savoye zochten hier hun heil in tijden van vervolging. In de grote conflicten van de zeventiende en achttiende eeuw bleef Zwitserland neutraal.

Noord-Oost Europa

In Noord-Europa bestonden het koninkrijk Denemarken-Noorwegen en het koninkrijk Zweden. Zweden was in de tweede helft van de zeventiende eeuw op het hoogtepunt van zijn macht; het bezat grote gebieden rond de Baltische Zee en in Noord-Duitsland. In het Baltisch gebied en in Finland kreeg Zweden te maken met de groeiende macht van Rusland. Vanaf het eind van de zeventiende eeuw nam de Russische expansie een vlucht. Dit gebeurde onder leiding van tsaar Peter de Grote. In Oost-Europa was Polen-Litouwen een niet onaanzienlijke staat, maar zwak en intern erg verdeeld.

Tegelijk met de Spaanse Successie-oorlog woedde in Noord-Europa de Noordse Oorlog. Dit was een conflict tussen Denemarken, Polen en Rusland met Zweden. De oorlog begon in 1700 en liep door tot 1721. In de eerste fase – tot 1706 – versloeg Zweden al haar tegenstanders onder leiding van koning Karel XII. Twee jaar later keerde het tij echter en begon Zweden te verliezen. Bij de uiteindelijke vrede in 1721 verloor Zweden het grootste deel van haar gebied rond de Baltische Zee.

1648

In 1648 werden de Tachtigjarige Oorlog tussen het Spaanse Rijk en de Nederlandse Republiek en de Dertigjarige Oorlog die Duitsland verwoestte in verschillende vredescongressen tot een einde gebracht. Bij deze oorlogen waren niet alleen de Republiek, Duitsland en Spanje betrokken: Frankrijk, Engeland, Zweden en Denemarken werden meegesleept in de conflicten. De Republiek werd internationaal erkend als een onafhankelijke staat; de Europese mogendheden en bovenal de keizer erkenden ook de soevereiniteit van de verschillende Duitse staten. De vredes van 1648 gingen de geschiedenis in als de Vrede van Westfalen.

Westfalen wordt gezien als het einde van de godsdienstoorlogen en vormde de basis van een nieuw diplomatiek systeem. ‘Moderne’ diplomatie zou hier begonnen zijn. Ambassadeurs en vertegenwoordigers werden vanaf nu stelselmatig naar buitenlandse hoven gezonden. Ook groeide de notie van een systeem van soevereine staten die interactie hadden met elkaar. Hoewel tot 1659 nog een conflict tussen Spanje en Frankrijk voortwoedde leek Europa relatief stabiel. Wel waren er een groot aantal kleinere conflicten, met name de Engels-Nederlandse zee-oorlogen in 1652 en 1665.

Universele monarchie

Vanaf de tijd van Karel V bestond in Europa de angst dat een vorst alle andere landen zou overheersen en zo een ‘universele monarchie’ zo vestigen. In de tweede helft van de zeventiende eeuw was het vooral Lodewijk XIV die van dergelijke aspiraties verdacht werd.

De Hollandse Oorlog

Bij de Vrede van Westfalen waren Frankrijk en Zweden aangewezen als garantiemogendheden: zij waren in feite de arbiters van conflicten. De ironie was dat juist deze twee mogendheden zelf ambities hadden op het internationaal terrein. Voor Lodewijk XIV was het belangrijk om zich de Spaanse Nederlanden toe te eigenen, omdat hij zich omsingeld voelde door Spanje. Hij probeerde dit in 1668 in de zogenaamde Devolutie-oorlog. Lodewijk faalde, omdat onder leiding van Johan de Witt een coalitie tussen de Republiek, Zweden en Engeland de Franse ambities wist te verhinderen. In 1672 waagde Lodewijk een nieuwe poging, nadat hij een geheim verbond met Engeland had gesloten. Geheel onverwacht viel hij echter de Republiek aan, terwijl Engeland de Nederlanden vanaf zee belaagde. Het jaar 1672 staat bekend als het ‘Rampjaar’ van de Republiek. De kleine federatie wist zich nauwelijks staande te houden en verloor een groot deel van haar grondgebied, behalve de belangrijke provincies Holland en Zeeland. In de loop van de oorlog – naarmate andere Europese staten zich tegen Frankrijk keerden – won de Republiek langzaam haar grondgebied terug. Lodewijk kwam in deze oorlog voor het eerst twee levenslange tegenstanders tegen: stadhouder Willem III, Prins van Oranje en keizer Leopold I van het Heilige Roomse Rijk. Willem III was in de paniek van 1672 tot stadhouder en kapitein-generaal benoemd en had vanaf dat jaar de feitelijke leiding over de (buitenlandse politiek van de) Republiek. De Hollandse Oorlog bleek opnieuw een grootschalige landoorlog te zijn die duurde tot 1678, toen de Vrede van Nijmegen werd gesloten. Lodewijk verkreeg wat kleine, strategisch waardevolle gebieden. namelijk

Koude Oorlog

Hoewel de oorlog voorbij was bleef de spanning bestaan. Lodewijk XIV maakte gebruik van het feit dat Leopold zijn handen vol had in de oorlog met de Ottomanen, die in 1683 voor de poorten van Wenen stonden. Door middel van dreigementen en dubieuze juridische claims wist hij door de zogenaamde reunions (hereniging met gebieden die hij om erfelijke of historische redenen claimde) zijn gebied te vergroten. Met name In 1681 en 1683 bezette hij echter ook respectievelijk Straatsburg en Luxemburg in de Spaanse Nederlanden. Spanje was inmiddels dusdanig verzwakt dat het niet genoeg weerstand kon bieden, terwijl de keizer elders problemen had. Dit alles leidde tot veel rumoer en angst voor nieuwe Franse aanvallen, maar het kwam dit keer niet tot een oorlog. In de Republiek zorgde deze politiek voor grote verdeeldheid. Terwijl de Stadhouder militair wilde ingrijpen, wilden met name de handelssteden een appeasementpolitiek voeren. Toch veranderde er wel iets na de val van Luxemburg in 1683. Vooral Duitse staten voelden zich in toenemende mate bedreigd door de Franse expansie en verenigden zich in de Liga van Augsburg in 1686. Tegelijkertijd wist de keizer de Ottomanen terug te drijven vanaf 1683. Het leek erop dat het tij keerde. Frankrijk besloot daarop met de keizer een Twintigjarig Bestand te sluiten in 1684.

De Negenjarige Oorlog

Helaas namen in het volgende jaar de spanningen weer toe. In Frankrijk herriep Lodewijk XIV het Edict van Nantes, met als gevolg dat vele tienduizenden Hugenoten het land ontvluchtten. Dit riep internationaal verontwaardiging op. Toen in datzelfde jaar in Engeland de katholieke Jacobus II op de troon kwam, ontstond met name in de Protestantse landen ook angst voor een hernieuwde godsdienstoorlog. Hoewel er nooit een formeel verbond gesloten werd, was de Republiek zeer bevreesd voor een hernieuwde Frans-Engelse aanval. Daarnaast bemoeide Frankrijk en de Duitse prinsen zich intensief met de successie in twee strategische Duitse staten: de Palts en Keulen. De inval van Frankrijk in de Palts in september 1688 en de Duitse respons leidde tot de Negenjarige Oorlog.De Liga van Augsburg trad in feite in werking.

Juist op dat moment vertrok een Staatse vloot richting Engeland. Willem III landde met een leger bij Torbay en marcheerde in de herfst van 1688 naar Londen. In de Glorieuze Revolutie moest de Fransgezinde, openlijk katholieke koning Jacobus II zijn troon prijsgeven. Jacobus werd vervangen door zijn dochter Maria II en haar echtgenoot: Willem III van Oranje. In een unieke gang van zaken werden zij ‘joint monarchs’ van Engeland, Schotland en Ierland. Prompt verklaarde Lodewijk nu ook de oorlog aan de Republiek en Engeland. In 1689/1690 verbonden Engeland, de Republiek en de keizer zich in de eerste Grote Alliantie. Dit verbond werd later uitgebreid met vrijwel alle buurlanden van Frankrijk: Spanje (en daarmee de Zuidelijke Nederlanden), Savoye en een groep Duitse staten. Het was een effectiever verbond dan de Liga van Augsburg en werd uitgebreid gecoördineerd door de bevelhebbers.

In deze Negenjarige Oorlog bleek Frankrijk ternauwernood de militaire evenknie te zijn van de volledige Grote Alliantie. De oorlog was een economische uitputtingsslag voor alle betrokkenen. De oorlog was ook erg belangrijk voor het politieke ‘evenwicht’ in Europa. Toch verliep de Negenjarige Oorlog vrij statisch. Er waren geen ‘epische’ veldslagen, geen heroïsche overwinningen en ook geen duidelijk omslagpunt ten gunste van één van de partijen. De strijd eindigde met de Vrede van Rijswijk in 1697, grotendeels uit oorlogsmoeheid. Frankrijk kreeg de Elzas en gaf andere gewonnen gebieden op; Lodewijk XIV erkende Willem III als koning van Engeland; de Republiek mocht een aantal steden en forten in de Zuidelijke Nederlanden met garnizoenen bemannen. Deze barrière werd door de Republiek van vitaal belang geacht om haar veiligheid te garanderen. Na negen jaar oorlog was er relatief weinig veranderd in de machtsverhoudingen binnen Europa. Bij de vredesonderhandelingen werd de meest acute bedreiging voor vrede – de opvolging van de Spaanse koning – niet opgelost.

Lodewijk XIV

De Franse koning Lodewijk XIV werd geboren in 1638 en kwam op vijfjarige leeftijd op de troon. Hij was de zoon van de Spaanse Anna (van Oostenrijk) en de Franse koning Lodewijk XIII. Anna en kardinaal Mazarin waren regenten tot 1661. In dat jaar overleed Mazarin en nam Lodewijk zelf de touwtjes in handen. Lodewijk zette het proces van centralisering, ingezet onder zijn voorvaders, door. Onder zijn bewind werd een efficiëntere bureaucratie ontwikkeld, en er vond een grote economische bloei plaats in Frankrijk. Dit laatste onder leiding van de bekende minister Colbert; op economisch gebied kwam Frankrijk nu vaak in botsing met de Republiek en Engeland. Op cultureel gebied werd Frankrijk toonaangevend.

Lodewijk’s herroeping van het Edict van Nantes – dat Franse protestanten vrijheid van godsdienst bood – leidde tot een exodus van vermogende en getalenteerde protestanten naar andere landen & veroorzaakte nieuwe religieuze spanningen in Europa. Lodewijk voerde een aantal grote oorlogen met zijn buurstaten; de Hollandse Oorlog, de Negenjarige Oorlog en de Spaanse Successie-oorlog. De oorlogen waren kostbaar en aan het eind van zijn bewind had Frankrijk slechts de Franche-Comté, een smalle strook gebied in de Zuidelijke Nederlanden en een paar klein gebieden in Zuid-Frankrijk verworven. Tijdens de Spaanse Successie-oorlog werden de kosten van het leger zo hoog dat Lodewijk zijn zilveren gebruiksvoorwerpen moest omsmelten om ze te kunnen voldoen! Lodewijk overleefde zijn oudste zoon, de Grand Dauphin, diens oudste zoon, de Petit Dauphin, en werd opgevolgd door diens oudste (overlevende) zoon, koning Lodewijk XV. De tweede zoon van de Grand Dauphin werd als Filips V koning van Spanje.

Aanspraak op de Spaanse Erfenis

Koning Karel II van Spanje was lichamelijk en geestelijk niet gezond; toch wist hij tot verbazing van Europa telkens in leven te blijven wanneer zijn einde leek te zijn gekomen. Al vanaf zijn troonsbestijging in 1665 barstte in Europa een diplomatieke oorlog om de opvolging uit. Potentiële erfgenamen van de Spaanse gebieden waren de Franse Bourbons en de Oostenrijkse Habsburgs, concreet: koning Lodewijk XIV en keizer Leopold I. Hun rechten waren gebaseerd op verwantschap met Karel II via de vrouwen uit de Spaanse Habsburg-familie.

Lodewijk was de zoon van Anna van Oostenrijk, een tante van Karel II en de dochter van Filips III van Spanje. Daarnaast was Lodewijk getrouwd met een zus van Karel, Maria Theresa. Leopold was op dezelfde manier verwant aan Karel: zijn moeder was een Spaanse prinses, eveneens de dochter van Filips III, en ook hij was getrouwd met een zus van Karel. Daarnaast was Leopold natuurlijk een Habsburger en kon hij zich beroepen op het feit dat de Spaanse gebieden ‘Habsburgs’ waren sinds de tijd van keizer Karel V, willekeurig om welke ‘tak’ van de familie het ging. Om de hele zaak complexer te maken: de Spaanse prinsessen die met de Franse vorsten waren getrouwd hadden in hun huwelijksakten afstand gedaan van hun opvolgingsrechten. Omdat de Spanjaarden de bruidsschatten nooit hadden voldaan, stelde Lodewijk XIV dat deze clausules niet bindend waren.

Beide vorsten wensten een directe, militaire confrontatie over de erfenis te voorkomen. Daarom werd al in 1668 een ‘verdelingsverdrag’ gesloten waarbij zowel Habsburgers als Bourbons een deel van de erfenis zouden krijgen. Beide vorsten claimden de erfenis later overigens niet voor zichzelf maar voor familieleden; dit met het oog op de dreiging die andere Europese mogendheden zouden ervaren wanneer één vorst het totale Spaanse Rijk zou erven. Lodewijk claimde de gebieden eerst voor zijn oudste zoon, de Dauphin, en later voor diens tweede zoon Filips van Anjou. Leopold claimde het gebied voor zijn tweede zoon, Karel van Oostenrijk.

Binnen Europa bestond een grote angst dat Bourbons dan wel Habsburgs een hegemonie, een ‘universel monarchie’, binnen Europa zouden vestigen wanneer een van beide dynastieën het gehele Spaanse Rijk aan zijn bezit kon toevoegen. Deze staat zou dan alle andere Europese mogendheden domineren. Tegen het eind van de zeventiende eeuw was deze angst met name gericht op een Franse hegemonie doordat Lodewijk XIV zich zo expansionistisch opstelde en militair zeer sterk bleek te zijn. Men verdacht Lodewijk ervan dat hij Europa wilde domineren en alle staten zijn wil op wilde leggen. Het opdelen van het Spaanse Rijk over de twee erfgenamen leek voor velen de oplossing te bieden om een hegemonie te voorkomen. Karel II en de Spaanse politici waren mordicus tegen het opdelen van het Spaanse Rijk en trachtten het Spaanse Rijk ongedeeld over te laten gaan op een erfgenaam. Intriges aan het Spaanse hof vierden hoogtij terwijl hovelingen probeerden de door hen gewenste kandidaat als erfgenaam geaccepteerd te krijgen. Verschillende facties aan het hof – onder andere aangevoerd door de moeder van Karel II en zijn echtgenote(s) – probeerden te verzekeren dat de door hun gewenste kandidaat tot erfgenaam werd benoemd.

 

In 1692 werd een derde, potentiële erfgenaam van Karel II geboren. Uit het huwelijk van Leopold I en zijn Spaanse prinses was één kind geboren, Maria Antonia. Zij trouwde met de keurvorst van Beieren, Maximiliaan II uit het huis Wittelsbach. Samen hadden zij één zoontje, Jozef Ferdinand. Dit prinsje leek de ideale erfgenaam van Karel: wanneer hij zijn vader en de Spaanse vorst was opgevolgd was het Spaanse Rijk intact gebleven en slechts uitgebreid met het kleine vorstendom Beieren. Er dreigde dan geen hegemonie van deze of gene partij. Tevens was Ferdinand Jozef een Bourbon noch een Habsburg: een ideale compromis-kandidaat voor de rivaliserende dynastieën. In een ‘Eerste’ Verdelingsverdrag tussen Lodewijk XIV en Willem III van Oranje werd dan ook de oplossing aangehouden dat Jozef Ferdinand het hele Spaanse Rijk zou erven. Ook in het testament van Karel II werd de Beierse prins tot erfgenaam benoemd. Jozef Ferdinand overleed echter in 1699, een jaar voor Karel II zo bleek. Er werd een Tweede Verdelingsverdrag gesloten, maar het testament van de Spaanse monarch verraste de Europese mogendheden ditmaal.

De Verdelingsverdragen

Om een nieuwe grote oorlog in Europa te voorkomen sloten verschillende mogendheden in Europa op 11 oktober 1698 het Eerste Verdelingsverdrag. De Republiek, Engeland en Frankrijk kwamen overeen dat wanneer Karel II kinderloos zou overlijden, de Beierse prins Jozef Ferdinand, een achterneef van Karel II, het grootste deel van het rijk zou erven. Jozef Ferdinand zou de Spaanse gebieden, de Zuidelijke Nederlanden en het koloniaal bezit erven; de Franse dauphin zou in het bezit komen van Napels en Sicilië alsmede een aantal havenplaatsen (de zogenaamde presidii) in Toscane. Karel van Oostenrijk, de tweede zoon van keizer Leopold, ontving slechts het hertogdom Milaan.

Leopold weigerde dit verdrag te accepteren dat zijn familie zo benadeelde en waarin hij geen enkele inspraak had gehad. De Spaanse vorst en zijn ministers accepteerden het eveneens niet: zij waren niet te spreken over de geplande verdeling van het Spaanse Rijk. In een poging het Rijk bijeen te houden werd Jozef Ferdinand tot universeel erfgenaam benoemd. De dood van de Beierse prins maakte in één klap een einde aan de resultaten van diplomatie. Met het oog op de vrede werd een Tweede Verdelingsverdrag opgesteld, getekend op 11 juni 1699. Karel van Oostenrijk kreeg Spanje, de Zuidelijke Nederlanden en de Spaanse koloniën. De dauphin kreeg opnieuw Napels, Sicilië, de presidii en nu ook Milaan. Milaan zou echter direct geruild worden voor Lotharingen. Leopold werd ditmaal wel op de hoogte gesteld van de inhoud van het verdrag, hij was er opnieuw niet over te spreken.

Uitbreken van de Spaanse Successie-oorlog

De Spaanse Successie-oorlog brak in feite direct uit nadat koning Karel II van Spanje was overleden in november 1700. Het testament van de Spaanse vorst benoemde tot de verrassing van heel Europa de tweede zoon van de Franse kroonprins; Filips van Anjou, als erfgenaam van het hele Spaanse Rijk. Lodewijk XIV beraadde zich uitgebreid voor hij testament uit naam van zijn kleinzoon accepteerde. Lodewijk bood de keizer nog aan het Tweede Verdelingsverdrag uit te voeren, maar de Habsburgse vorst claimde de gehele Spaanse erfenis voor zijn tweede zoon.

Al in het voorjaar van 1701 stuurde de keizer een leger naar Italië om in elk geval het strategisch belangrijke Milaan in te nemen. De Italiaanse bezittingen wogen veruit het zwaarst voor de Oostenrijkse Habsburgers. Italië werd gezien als de Oostenrijkse ‘achtertuin’. Filips van Anjou was met tegenzin erkend door de Republiek en Engeland als de rechtmatige opvolger van Karel II. Filips werd op zeventienjarige leeftijd als Filips V koning van Spanje geinstalleerd. Lodewijk XIV beging echter een aantal blunders, die de tegenzin van de Republiek en Engeland omzette in weerzin. In reactie op deze Franse provocaties stuurde koning-stadhouder Willem III deze twee naties aan de zijde van Leopold I de oorlog in. De Republiek, Engeland en de keizer sloten de tweede Grote Alliantie.

Bij de acceptatie van de Spaanse erfenis zou Lodewijk XIV hebben gezegd “Il n’y a plus de Pyrénées”: ‘er bestaan geen Pyreneeën meer’. De dreiging van een verenigd Spaans-Frans rijk onder één Bourbon was voor veel Europese staten onverteerbaar. De weigering van Lodewijk XIV en Filips V om die laatste zijn recht op de Franse troon op te laten geven – weliswaar een vereiste van het testament – was dan ook een ernstige provocatie. Het sterke Frankrijk van de Zonnekoning, dat dan ook nog eens uit de Spaanse en koloniale bezittingen zou kunnen putten, dreigde een hegemonie in Europa te vormen. Deze angst werd ook nog versterkt doordat Lodewijk XIV een aantal verdragen/allianties sloot met Portugal, Savoye en een aantal Duitse staten, waaronder Beieren en Keulen.

Lodewijk beging echter meer fouten die de Europese staten tegen hem in het harnas jaagde. Zo werd Filips V door Franse troepen vergezeld naar Madrid, en Franse troepen bezetten in zijn naam de garnizoenssteden in de Zuidelijke Nederlanden. De Franse troepen kwamen zo weer erg dichtbij de Republiek in de buurt en daar werd men ernstig herinnerd aan het Rampjaar 1672. In 1701 overleed ook de Engelse ex-koning Jacobus II, waarop Lodewijk XIV prompt diens zoon erkende als de rechtmatige Engelse vorst: een slag in het gezicht van Willem III. Ook laaide zo in Engeland de angst op voor nieuwe Franse inmenging in, en agressie tegen, dit land. Misschien nog belangrijker dan dit alles was dat Frankrijk en Spanje gunstige handelsverdragen sloten: ten gunste van elkaar maar zeer ten nadele van de handelsbelangen van de Republiek en Engeland.

In de loop van de oorlog breidde de anti-Bourbon coalitie zich uit. Portugal, Savoye, Brandenburg-Pruisen, Hannover, Saksen-Polen en het Heilige Roomse Rijk ‘als geheel’ en een hele verzameling ‘losse’ Duitse staatjes sloten zich aan bij deze tweede Grote Alliantie. Vooral deze Duitse staten hielden zich relatief afzijdig in de oorlog, maar verhuurden hun troepen aan Engeland, de Republiek en de keizer. De legers van de Grote Alliantie stonden onder leiding van de zeer capabele Eugenius van Savoye en de hertog van Marlborough. Hun Franse opponenten waren de hertogen van Vendôme en Villars. De enige bondgenoten die Frankrijk en Spanje bezaten waren de keurvorsten van Keulen en Beieren, onder leiding van Maximiliaan II Emanuel: de vader van de voormalige erfgenaam van Karel II.

De Spaanse Successie-oorlog

De Spaanse Successie-oorlog werd op een aantal fronten uitgevochten. Het hoofdtoneel van de strijd bevond zich op verschillende momenten in Noord-Italië, Zuid-Duitsland, de Zuidelijke Nederlanden en Spanje zelf. Maar ook op zee werd op verscheidene plaatsten gevochten en ook in de diverse koloniale gebieden in Amerika, Afrika en Azië bestreden de partijen elkaar. Tegenover elkaar stonden de leden van de tweede Grote Alliantie – bovenal Engeland, de Republiek en Oostenrijk – en het nieuwe Frans-Spaanse (Bourbon) machtsblok. De Grote Alliantie vocht om de dreigende Franse hegemonie te verhinderen, een ‘redelijke voldoening’ voor de belangen van Karel van Oostenrijk te verkrijgen en handelsbelangen (vooral van Engeland en de Republiek) in Frankrijk, Spanje en de Spaanse koloniën te beschermen. Daarnaast speelden allerlei individuele belangen; de Republiek wilde haar ‘barrière’ tegen Frankrijk herstellen en Engeland wilde internationale erkenning van de ‘Protestantse opvolging’ van Willem III in de vorm van koningin Anna en daarna het huis van Hannover. Oostenrijk vocht in principe voor de hele Spaanse erfenis, maar wilde vooral de Italiaanse gebieden in bezit krijgen.

De oorlog begon in het voorjaar van 1701, toen keizer Leopold I een leger naar Italië stuurde om in elk geval daar de Habsburgse bezittingen in bezit te nemen. Met name Milaan was een prioriteit voor de Oostenrijkers. De grote Oostenrijkse generaal Eugenius van Savoye was in eerste instantie succesvol in Noord-Italië. De Habsburgse troepen wisten echter jarenlang niet de overhand te krijgen op de Spaans-Franse troepen. In 1703 sloot Victor Amadeus II van Savoye – een staat tussen Frankrijk en Italië – zich aan bij de Grote Alliantie. Dit maakte de oorlog in Italië complexer; de Franse aanvoerroutes naar Italië werden geblokkeerd. De strijd verliep echter desastreus voor Victor Amadeus. In hoog tempo verloor hij het grootste deel van zijn gebied aan Frankrijk, onder andere de stad Nice. Savoye werd gebrandschat en protestanten ontvluchtten het landje om aan (Franse) vervolging te ontkomen. De oorlog in Italië was in 1706 grotendeels voorbij en ten gunste van de Habsburgers. Franse verliezen in de Zuidelijke Nederlanden dwongen de Franse koning zijn generaal en een grote hoeveelheid troepen in Italië terug te trekken. Victor Amadeus was in dat jaar nipt in staat zijn hoofdstad Turijn te behouden; een plaats van groot belang in de routes van Frankrijk naar Italië. Het Franse vertrek sneed de resterende Spaans-Franse garnizoenen in Italië af, die vervolgens één voor één konden worden aangevallen en verslagen door Oostenrijk. Savoye kreeg Nice en haar andere gebieden pas terug bij de onderhandelingen en de uiteindelijke vrede in 1713.

Spanje was in eerste instantie wel stevig in handen van haar nieuwe Bourbon koning. Portugal had een verdrag gesloten met Lodewijk XIV dus van die zijde dreigde geen gevaar. Het Spaanse front ontstond pas toen de Portugese koning, die zich geïntimeerd voelde door zijn Spaanse buurman, zich aansloot bij de Grote Alliantie in 1703. Hij deed dit nadat de Republiek en Engeland de Spaanse-Franse vloot ernstige schade hadden toegebracht en hij zich zeker voelde dat hij ruggesteun zou krijgen. Portugal was een aanwinst voor de Grote Alliantie: er stonden nu nieuwe havens voor de geallieerde vloot ter beschikking en de Spaans-Franse positie in de Middellandse Zee werd ernstig verzwakt. Vanaf 1704 al verloor Frankrijk haar maritieme superioriteit dan ook in dit gebied. Een tweede front in Spanje werd in 1705 geopend; Engelse troepen namen Barcelona in en de inwoners van Catalonië sloten zich vervolgens aan bij de Grote Alliantie. Karel van Oostenrijk kwam zelf naar Barcelona en werd daar erkend als Karel III van Spanje. Filips V werd nu van twee zijden bedreigd en moest in 1706 zijn hoofdstad verlaten; Madrid werd korte tijd bezet door de geallieerde troepen. In de loop van de oorlog wisten Engelse troepen Gibraltar, Minorca en ook Sardinië te veroveren, wat winterhavens in de Middellandse Zee opleverde. Zo werd de Engelse maritieme positie in de Middellandse Zee nog sterker. Een positie die zij niet wenste op te geven! Op het Iberisch Schiereiland zelf keerden de kansen en werden de geallieerde troepen langzaam maar zeker teruggedreven naar respectievelijk Catalonië en Portugal.

In Zuid-Duitsland en Oostenrijk was vanaf het begin van de oorlog een zeer belangrijk front. Oostenrijk had te kampen met een opstand in Hongarije en werd vanuit het westen bedreigd door de Franse bondgenoot, Beieren. 1704 was in elk geval voor Oostenrijk het militaire keerpunt van de oorlog. Vanaf twee zijden werd de Oostenrijkse hoofdstad Wenen bedreigd. De Hongaarse opstandelingen trokken op vanuit het oosten, en in het westen kon het Frans-Beierse leger haast niet worden tegengehouden. Vanuit de Nederlanden rukte generaal Marlborough uit naar Zuid-Duitsland om de Oostenrijkers te helpen, en hen binnen de oorlog te houden. Ook de Oostenrijkse generaal Eugenius van Savoye kwam met alle haast terug van het Italiaanse front. Bij het plaatsje Blenheim verenigden de twee legers van de coalitie zich en wisten ze een nipte overwinning uit het vuur te slepen en het Beierse leger te verslaan. De gevolgen voor de Beierse keurvorst Max Emmanuel II en voor zijn land waren aanzienlijk. Beieren lag nu open voor het gecombineerde leger van de Grote Alliantie en werd ingenomen en bezet. Max Emmanuel werd uit zijn rijk verdreven. Vervolgens werden in dat zelfde jaar forten aan de Moezel ingenomen. Deze konden als basis dienen voor invallen op Frans grondgebied. Hoewel de Fransen korte tijd succesvol waren in 1706, was dit front niet meer van belang in de rest van de oorlog.

Het belangrijkste oorlogstoneel van de hele Spaanse Successie-oorlog is te vinden in de Zuidelijke Nederlanden. In de eerste jaren van de oorlog kon geen van beide partijen een doorbraak forceren. In 1706 wist Marlborough eindelijk een grote overwinning te boeken en de zo verlangde doorbraak te forceren. Bij het plaatsje Ramillies bracht de ongeslagen Engelse generaal de Fransen een grote nederlaag toe, waarop het Vlaamse deel van de Nederlanden bezet werd door Engels-Nederlandse troepen. Het gebied erkende Karel van Oostenrijk als rechtmatige vorst. Het was deze nederlaag die Franse troepen onttrok uit Italië en Zuid-Duitsland, waarop de Oostenrijkse legers hier eveneens successen konden boeken.

Spaanse Successie-oorlog in de koloniën

De Spaanse Successie-oorlog staat in de Amerikaanse koloniën bekend als Queen Anne’s War. Tussen 1689 en 1714 was er eigenlijk continu oorlog in deze gebieden; de Vrede van Rijswijk had weinig effect. De Engelse koloniën poogden Quebec en Montreal in te nemen in 1690, wat mislukte, maar New England was daarna gedwongen een defensieve houding aan te nemen gedurende de rest van ‘King William’s War’. Na de Vrede van Rijswijk bleven er gewapende conflicten plaatsvinden tussen de Engelse en de Franse kolonisten (en hun Indiaanse bondgenoten). De Spaanse Successie-oorlog werd er uitgevochten vanaf 1702. Deze nieuwe oorlog legde de Engelse koloniën een zware economische druk op.

De ‘Iroquois Confederacy’, een verbond van verschillende Iroquois Indianen, wist in deze oorlog neutraal te blijven, en zelfs te profiteren van het Frans-Engelse conflict. In het zuiden van Noord-Amerika werd gevochten tussen Spaanse en Engelse troepen. Troepen vanuit Florida (onderdeel van Nieuw Spanje) en Carolina (een Engelse kolonie) vielen elkaar herhaaldelijk aan. Beiden maakte ook gebruik van Indiaanse bondgenoten. De koloniën leden veel economische verliezen. Bij de Vrede van Utrecht verwierf Engeland de zeggenschap over de Franse ‘koloniën’ Newfoundland, de Hudson Bay en Nova Scotia. De oorlog in de koloniën was slechts van beperkt belang: het belangrijkste oorlogstoneel was in Europa. Veel belangrijker voor Engeland en de Republiek waren handelsprivileges met de Spaanse koloniën.

In 1706 bereikte de Grote Alliantie haar oorspronkelijke doel. De dreigende Franse hegemonie was verijdeld. De Zuidelijke Nederlanden waren nu voor een belangrijk deel in handen van Engeland en de Republiek, in Italië hadden de Oostenrijkse troepen definitief de overhand gekregen. Daarnaast leek Spanje ook bijna verloren voor Filips V en was de Middellandse Zee onder controle van de Geallieerden. Lodewijk XIV was meer dan bereid om vrede te sluiten met zijn tegenstanders, zou wellicht zelfs Spanje op willen geven als zijn kleinzoon gecompenseerd zou worden met een ander koninkrijk. Lodewijk legde zich neer bij de verdeling van het Spaanse Rijk op het moment dat Oostenrijk en Engeland hun successen in Spanje door wilden zetten. ‘No peace without Spain’ was het nieuwe beleid. De Republiek was wel geneigd om vrede te sluiten, maar durfde haar bondgenootschap met Engeland niet op het spel te zetten. De kostbare oorlog sleepte zich daarom nog zeven jaar voort.

De Bourbons leken zich enigszins te herstellen in de volgende oorlogsjaren. In Spanje werden weer successen geboekt en in 1708 wisten Franse troepen Gent en Brugge in te nemen. De dreiging van een Franse invasie was in één klap zeer reëel geworden voor de kleine Republiek. De Franse opmars in de Zuidelijke Nederlanden werd echter teniet gedaan door generaal Marlborough. De Engelse generaal wist het sterkste Franse fort in de regio, Lille, te bezetten en daarna de Franse troepen in Vlaanderen terug te slaan. Gent en Brugge werden afgesneden van Franse hulptroepen en moesten zich uiteindelijk op 1 januari 1709 overgeven. De Franse legers vielen praktisch uit elkaar en Lodewijk XIV snakte naar vrede. De militaire successen die zijn kleinzoon in Spanje boekte, maakte voor hem de eis dat Filips zijn Spaanse koninkrijk op zou geven onacceptabel. In de laatste jaren van de oorlog veranderde de situatie op militair gebied nog maar weinig; Franse successen in Spanje en successen voor de Grote Alliantie op vrijwel alle andere fronten. Op diplomatiek gebied veranderde er echter veel!

Beginnende onderhandelingen

Al vanaf het begin van de Spaanse Successie-oorlog waren er onderhandelingen tussen de oorlogvoerende mogendheden. Zoals beschreven bood Lodewijk XIV nog aan om het Tweede Verdelingsverdrag uit te voeren. Vanaf 1706 trachtte Lodewijk XIV een afzonderlijke vrede te sluiten met zowel Engeland als de Republiek. De geallieerden waren het er toen al over eens dat er geen separate vrede gesloten moest worden, maar er bleek al wel duidelijk hoe verschillend er over de oorlogsdoelen werd gedacht door de coalitieleden.

Het Spaanse Rijk werd in zijn geheel opgeëist voor Karel van Oostenrijk, maar de Republiek wilde het Rijk opdelen en Filips V een koninkrijk geven in bijvoorbeeld Napels of Sicilië. Engeland weigerde een Bourbon-staat op zo’n strategische plaats in de Middellandse Zee te accepteren en Oostenrijk was juist gebrand op het verkrijgen van de Italiaanse bezittingen (boven de Spaanse). Bovendien was 1706 een jaar van grote successen voor de Grote Alliantie: men stuurde aan op de verwerving van een onverdeeld Spaans Rijk voor Karel van Oostenrijk. “No peace without Spain” was het motto van Engeland en Oostenrijk, daar Spanje het enige gebied was wat nog niet volledig in de greep van de coalitie was.

Diplomatie

Mede vanwege de grote oorlogen kwam in de tweede helft van de zeventiende eeuw de semi-permanente diplomatie op. Steeds meer bleven gezanten langdurig op hun post. De Republiek had al sinds het begin van de zeventiende eeuw vertegenwoordigers in de belangrijkste staten, Engeland en Frankrijk, maar nu breidde het netwerk zich snel uit. Bovendien professionaliseerde de diplomatie rond 1700 zich snel. In Frankrijk werd onder minister Torcy het eerste diplomatenklasje gesticht.

Nieuwe onderhandelingen in 1710 toonden aan dat Lodewijk XIV zijn eisen wilde inbinden; nog meer als hij al in 1706 van plan was. De Franse koning wilde zo graag vrede sluiten dat hij zelfs bereid was troepen en subsidies ter beschikking van de Grote Alliantie te stellen om zijn kleinzoon uit Madrid te verdrijven. Mits deze gecompenseerd zou worden met een ander koninkrijkje. Deze eis voor geld en troepen was een eis geweest bij onderhandelingen in 1708: toen was Lodewijk nog absoluut tegen. Nu stond hij financieel en militair op de rand van een verpletterende nederlaag en was hij zelfs tot deze concessie bereid. In 1710 legden Engeland en Oostenrijk de lat nog hoger: Lodewijk zou alle verantwoordelijkheid en kosten dragen voor de verdrijving van zijn kleinzoon. Dit was uiteraard ondoenlijk voor Lodewijk, waarop de onderhandelingen stuk liepen. Opvallend was dat de Republiek op dit moment al veel meer geneigd was tot een compromis. Dit werd haar niet in dank afgenomen door de Oostenrijkse Habsburgers.

In 1711 overleed keizer Jozef I – de oudste zoon van keizer Leopold I die in 1705 overleden was. Jozef overleed onverwacht en kinderloos: Karel van Oostenrijk volgde zijn broer nu op als hoofd van het huis Habsburg en keizer van het Heilige Roomse Rijk. Dit veranderde de context van de oorlog aanzienlijk: men streed tegen Frankrijk om een hegemonie in Europa te voorkomen, wanneer zij daar nu in slaagde was een nieuwe Habsburg-hegemonie gevestigd. De Republiek was al enkele jaren op vrede uit en ook Engeland wilde nu de oorlog beëindigen. Daarnaast kreeg Engeland in 1711 een nieuw parlement waarin de isolationistische Tory-partij de meerderheid had. Deze partij wilde al een tijdje een einde maken aan de oorlog. De dood van keizer Jozef was het ideale excuus. Vanaf 1711 gingen de Engelsen, onder leiding van Henry St. John (later burggraaf Bolingbroke) en de graaf van Oxford, spontaan hun eigen weg in de Europese politiek. De Engelsen verloren hun bondgenoten niet volledig uit het oog, maar dwongen hen om onderhandelingen aan te gaan met Frankrijk. Engelse belangen stonden nu voorop.

Publieke opinie

De oorlogen werden bepaald door vorsten en generaals, maar omdat de belastingen snel stegen nam de onvrede onder de bevolking toe. Die onvrede werd onder andere geuit in pamfletten, opinierende geschriften die goedkoop waren en in grote getale gedrukt werden. Hele debatten over het nut van de oorlog werden zo in de publieke sfeer gehouden. Het Engelse pamflet The Conduct of the Allies, geschreven door Jonathan Swift, werd gesponsord door een Engelse minister, en moest het Engelse besluit om de oorlog tegen de zin van de bondgenoten te beeindigen in 1711 legitimeren.

Engeland en Frankrijk sloten in oktober 1711 voorbereidende artikelen voor een congres. Onder druk van Engeland gingen op 29 januari 1712 gesprekken van start in Utrecht, in aanwezigheid van Engelse, Nederlandse en Franse vertegenwoordigers. Na verloop van tijd hadden alle oorlogvoerende – en een aantal neutrale – staten vertegenwoordigers in Utrecht. De preliminaire artikelen die waren opgesteld voor het congres van start ging, waren zeer voordelig voor Engeland. Engeland en de Republiek zouden bepaalde handelsvoordelen krijgen, Engeland kreeg tevens het Asiento-recht voor de komende dertig jaar, om slaven in de Amerikaanse koloniën te verkopen. De Republiek zou een barrière in de Zuidelijke Nederlanden krijgen en tevens zou er een barrière aan de Rijn komen. Savoye zou haar verloren gebieden terug moeten krijgen. Frankrijk en Spanje zouden de opvolging van koningin Anna en de wet op de protestantse opvolging erkennen. Engeland zou uitgebreide gebieden krijgen in Amerika en Minorca en Gibraltar mogen behouden.

In mei 1712 sloten Engeland en Frankrijk een staakt-het-vuren en in juli een volledige wapenstilstand. De Engelse commandanten op het continent moesten een tijdland voorkomen dat zij betrokken raakten in gevechten met de Fransen en dit bevel tegelijk verbergen voor hun bondgenoten. Het akkoord werd echter toch bekend en Engeland haalde vervolgens haar troepen weg uit Spanje en de Zuidelijke Nederlanden. De overige leden van de Grote Alliantie vochten dat jaar nog door.

De Vrede van Utrecht

Vanaf 1711 ging de diplomatie tussen de oorlogvoerende naties een grotere rol spelen. De onderhandelingen die door de nieuwe Tory regering in Engeland werden gevoerd met Frankrijk raakten na de dood van keizer Jozef I in een stroomversnelling: de basis voor de oorlog was immers weggevallen. Als een mogelijke Bourbon-hegemonie werd verijdeld was er een hernieuwd Habsburgs rijk ontstaan en dat was evenmin goed te verteren.

Engeland en Frankrijk gingen voortvarend tewerk in het opstellen van preliminaire artikelen, zeer tot de woede van Oostenrijk. Ook de Republiek was ontstemd: zij wilde al jaren een compromisvrede maar moest doorvechten. Nu moest zij zich ineens schikken naar de wens van Engeland om een niet voordeliger vrede te bewerkstelligen dan een die de Republiek al jaren wilde. De Republiek wilde echter wel vrede en schikte zich in onderhandelingen, maar zette in 1711/1712 de oorlog voort. Engeland voerde in alle onderhandelingen tussen 1711 en 1713 de boventoon. Zowel tegen Frankrijk als haar bondgenoten stelde zij zich hard op. De Engelse Alleingang was echter niet zo compleet als het scheen: Bolingbroke wilde absoluut geen aparte vrede met Frankrijk. Dan zou die staat namelijk weer vrij zijn om toch een hegemonie te vestigen. Hij zette zich dan ook in voor de belangen van vrijwel alle bondgenoten. Alleen Oostenrijk zou op vrijwel alle punten moeten inleveren.

Asiento de Negros

Het Asiento de Negros was een contract (of een ‘recht’) dat tussen Spanje en een handelsmaatschappij/land bestond. Het gaf het recht om elk jaar een vastgesteld aantal slaven of slavenschepen naar de Spaanse koloniën te sturen. De handel in slaven was zeer lucratief, het recht van Asiento was daarom erg gewild. Het was de inzet van verschillende onderhandelingen in de Spaanse Successie-oorlog. Frankrijk verkreeg het recht van Asiento zodra Filips V op de troon kwam. Aan het eind van de Spaanse Successie-oorlog kreeg Engeland het recht voor dertig jaar.

Engeland stelde zich echter wel zó dwingend op dat de Franse diplomaat De Polignac tegen de Nederlanders opmerkte: “On traitera de la paix chez vous, pour vous et sans vous”. [Men onderhandelt over de vrede bij u, voor u en zonder u.] Wel werden de onderhandelingen dus in Nederland gehouden; te Utrecht, wellicht om intriges van Franse diplomaten onder leden van de Staten Generaal in Den Haag te voorkomen. Of alleen maar omdat de Utrechtse straten breed genoeg waren voor alle sierrijtuigen van de diplomaten? De keus voor Utrecht is niet geheel duidelijk.

Op 16 december 1711 werd in Utrecht een commissie benoemd die het komende vredescongres moest voorbereiden. De commissie wees het (oude) stadhuis aan als de plaats waar de onderhandelingen plaats moesten vinden. Op 16 januari 1712 kwam de eerste gezant in de stad aan. “[I]n overleg met de Staten-generaal had koningin Anna besloten haren vertegenwoordigers eerst op den dag van het sluiten van het vredestractaat den hoogeren en hun toekomenden rang van ambassadeurs te verleenen, ten einde alle moeilijkheden over étiquette en voorrang te vermijden en de andere groote mogendheden volgden dit voorbeeld.” Het vredescongres opende op 29 januari 1712, slechts in aanwezigheid van de Engelse, Nederlandse en Franse gezanten. Uiteindelijk waren er vijftig verschillende diplomaten in de stad, niet alleen van staten die betrokken waren bij de Spaanse Successie-oorlog, maar ook van neutrale staten die bepaalde grieven of belangen aan de orde wilden stellen. Ook Oostenrijkse diplomaten waren aanwezig in Utrecht: zij hadden officieel geen deel aan de vredesbesprekingen maar onderhandelden verschillende keren mee.

De eis van de geallieerden dat Frankrijk en Spanje nooit onder dezelfde vorst zouden komen werd in de loop van 1711 en 1712 versterkt. In april 1711 overleed de Franse Grand Dauphin, de zoon van Lodewijk XIV. In februari 1712 overleed diens oudste zoon – de broer van Filips V – de Petit Dauphin, spoedig gevolgd voor diens oudste zoon in maart van dat jaar. Alleen de tweede zoon van de Petit Dauphin stond nu nog tussen Filips V en de Franse troon in. Deze latere Franse koning, Lodewijk XV, was nog een jong kind en werd beschreven als was hij ongezonder dan zijn pas overleden broer. Engeland en de Republiek wilden het zekere voor het onzekere: Filips V moest kiezen tussen zijn Spaanse koninkrijk of zijn rechten op de Franse troon. Koos hij voor het eerste dan moest hij zijn rechten op de Franse troon afzweren. De Bourbons bonden in en Filips koos voor Spanje: op een zitting van de Cortes van Madrid op 5 november 1712 zwoer Filips zijn rechten op de Franse troon af. Dit garandeerde een machtsbalans in Europa en maakte de weg vrij voor de laatste vredesonderhandelingen.

De Vrede van Utrecht werd slechts gedeeltelijk op die locatie onderhandeld. Het belangrijkste diplomatieke verkeer pendelde tussen Londen en Versailles heen en weer. Eind 1712 lag er uiteindelijk een vredesverdrag klaar tussen Engeland, Frankrijk en de Republiek. De eerste maanden van 1713 werden besteed aan het insluiten van Pruisen, Portugal en Savoye in het vredesverdrag. Oostenrijk werd vergeefs benaderd om ook deel te nemen, maar keizer Karel VII weigerde dat jaar vrede te sluiten met Frankrijk. In de nacht van 11 op 12 april was het moment dan daar; de gezanten van Engeland, de Republiek, Frankrijk, Savoye, Pruisen en Portugal zetten hun handtekening onder het vredesverdrag in de woning van de Engelse gezant – de bisschop van Bristol – te Utrecht. De vredesverdragen met Spanje werden op 13 juni en 6 juli eveneens te Utrecht ondertekend.

Engeland

Engeland won het meeste bij de Vrede van Utrecht. Zij won grote gebieden in Noord-Amerika die bij Frankrijk hadden behoord en ook belangrijke handelsvoorwaarden met Frankrijk, Spanje en de Spaanse koloniën. Daarbij kreeg ze het recht van de Asiento de Negros voor dertig jaar. Voort accepteerden Spanje en Frankrijk de opvolging van Anne als koningin van Engeland alsmede de Act of Settlement waarmee een ‘protestantse opvolging’ door het koningshuis van Hannover werd bepaald. De zoon van ex-koning Jacobus II, Jacobus ‘III’, zou uit Frankrijk worden gezet. Het belangrijkste was wellicht dat Engeland de zo verlangde ‘balance of power’ in Europa had bereikt. Geen één staat domineerde alle andere.

De Republiek

De Republiek kwam er relatief bekaaid vanaf. Zij pleitte al jaren voor een vrede met gunstige voorwaarden voor Frankrijk maar was gedwongen de oorlog voort te zetten. Nu werd er op diezelfde gunstige voorwaarden vrede gesloten zonder dat de Republiek daar iets meer bij won. De Republiek kreeg een kleine gebiedsuitbreiding in Limburg en de Zuidelijke Nederlanden en de belofte dat Engeland zich zou inzetten voor een barrière in de Nederlanden. De barrière die Nederland uiteindelijk kreeg “was geen barrière”: zij mocht acht steden in de Zuidelijke Nederlanden met een garnizoen uitrusten, een vrij mager resultaat. Wel kreeg de Republiek gunstige handelsvoorwaarden met Frankrijk en Spanje.

Savoye

Victor Amadeus II profiteerde op de lange termijn in grote mate van de Spaanse Successie-oorlog. Weliswaar dreigde hij het grootste deel van zijn bezittingen kwijt te raken aan Frankrijk tijdens de oorlog, maar bij de Vrede van Utrecht kreeg hij een vergroot Piemonte-Savoye terug. Hij ontving het koninkrijk Sicilië als een troostprijs omdat hij korte tijd in het vooruitzicht was gesteld dat hij hij misschien wel eens koning van Spanje zou worden. Later ruilde Savoye het eiland Sicilië voor Sardinië met de keizer en behield de koningstitel.

Pruisen

Het Pruisische koningshuis had een claim op de bezittingen van Willem III na diens overlijden. Engeland had beloofd Pruisen te steunen wanneer het meevocht tegen Frankrijk. Uiteindelijk echter – om spoediger vrede te kunnen sluiten met Frankrijk – zag Engeland van deze belofte af. Wel verkreeg Pruisen een aantal gebieden in ‘opper-Gelre’ en werd haar recent aangeschafte titel ‘koning in Pruisen’ internationaal erkend.

De Vredes van Rastatt en Baden

Na de Vrede van Utrecht trachtte keizer Karel VI de oorlog tegen Frankrijk en Spanje alleen voort te zetten, slechts met steun van een aantal Duitse staten. Ook het Heilige Roomse Rijk bleef formeel in oorlog met de Bourbons. Het bleek echter al snel dat hij niet in staat was deze oorlog alleen te dragen en daarom accepteerde ook hij vredesonderhandelingen. Vanaf de zomer van 1713 voerde Frankrijk en de keizer gesprekken over vrede. Dit gebeurde tussen generaal Eugenius van Savoye en generaal Villars te Rastatt. Hoewel het campagnejaar slechts verliezen opleverde voor de keizer, won hij toch meer bij deze onderhandelingen dan hij bij Utrecht zou hebben gewonnen. Frankrijk was nog altijd erg gebrand om de kostbare oorlog te beëindigen en erkende daarom de rechten van de keizer op de Italiaanse en Nederlandse bezittingen van het Spaanse Rijk. De keizer wist via diplomatieke kanalen Napels, Sardinië, Milaan en de Zuidelijke Nederlanden te verwerven. Op 6 maart 1714 kregen beide generaals uiteindelijk toestemming om het verdrag tussen de keizer en de Franse koning te tekenen: de Vrede van Rastatt was een feit. Een vredescongres tussen het Heilige Roomse Rijk en Frankrijk begon op 18 juni 1714 in het neutrale Zwitserse Baden. Dit vredesverdrag was vrijwel in niets verschillend van het verdrag tussen Lodewijk en de keizer: alle artikelen werden ongewijzigd overgenomen. De Vrede van Baden werd op 7 oktober ondertekend en op de 15e oktober 1714 definitief geratificeerd.

Vrede met Spanje

De eerste vrede die te Utrecht werd getekend was er een van Groot-Brittannië, de Republiek, Pruisen, Savoye en Portugal met Frankrijk. Over de vrede met Spanje werd apart onderhandeld maar al in juni en juli 1713 sloten Groot-Brittannië en de Republiek vrede met die mogendheid. Portugal sloot pas vrede met Spanje in 1715, maar eveneens te Utrecht. Ook de vredes van Rastatt en Baden besloten slechts de oorlog van de keizer en het Heilige Roomse Rijk met Frankrijk. De oorlog tussen de keizer en Spanje liep door tot 1720. In dat jaar maakte de Vrede van Den Haag een einde aan de voortdurende animositeit en aan een hernieuwd conflict tussen Europese mogendheden en Spanje. De Oostenrijkse keizer gaf zijn aanspraken op de Spaanse troon uiteindelijk op in 1725. Filips V was uiteindelijk in heel Europa erkend als de koning van Spanje.

Na de Vrede van Utrecht

Met de Vrede van Utrecht begon een nieuwe periode in de Europese politiek. Ook was het een tijdland vrij rustig in Europa. Weliswaar waren Oostenrijk en Spanje nog een tijdlang in oorlog en woedde de Noordse Oorlog nog, maar nieuwe grote conflicten bleven uit. Dat kwam vooral door een nieuwe visie op internationale collectieve veiligheid. Zo werd in 1718 de Quadrupple Alliantie gesloten om de inval van Filips V op Sicilie en Sardinie ongedaan te maken. Deze alliantie tussen de Republiek, Engeland, Frankrijk en Oostenrijk was dermate overweldigend dat de Spanjaarden moesten inbinden. In de jaren 1720 zorgde een congressysteem voor voortdurende onderhandeling wanneer internationale spanningen dreigden, bijvoorbeeld het Congres van Kamerijk (1722-1725) en van Soisson (1728-1729) om de Brits-Spaanse oorlog te bespreken. Pas in 1740 zou dit internationaal overlegsysteem instorten en weer plaatsmaken voor machtsbalansoorlogen, wanneer de Oostenrijkse Successie-Oorlog uitbreekt. De Republiek is dan echter geen grote mogendheid meer, en zou gedurende bijna de gehele achttiende eeuw neutraal blijven.

door Maurits Meerwijk, zomer 2011

 

Sidebar